De laatste vijf Akuntsu vertellen over de genocide op hun volk.
De Akuntsu-stam in de Amazone telt slechts vijf leden. Zij wonen in een klein afgebakend deel van het bos in de deelstaat Rondônia, in westelijk Brazilië.
Na het overlijden van deze laatste vijf stamleden zal de Akuntsu-stam uitgestorven zijn en is er een uniek volk met een unieke taal en cultuur voorgoed verloren gaan.
Tegenwoordig bewonen de Akuntsu nog een klein deel van het bos. Hun gebied wordt officieel erkend door de Braziliaanse regering, die de grenzen heeft vastgelegd. Het wordt echter omringd door enorme veehouderijen en sojaplantages. Deze hebben het ooit uitgestrekte regenwoud van Rondônia, waar eens veel inheemse volksstammen leefden, teruggedrongen.
De Akuntsu wonen in twee kleine malocas (gemeenschapshuizen), die van stro zijn gemaakt. Ze zijn uitstekende jagers, die vooral op wilde varkens, agoeti’s en tapirs jagen. Ze verbouwen maniok en maïs in kleine moestuinen en verzamelen vruchten in het woud. Ook vangen ze soms kleine vissen in de beken.
De Akuntsu maken houten fluitjes die worden gebruikt bij het uitvoeren van dansen en rituelen. Ze dragen armbanden en enkelbanden die van palmvezel zijn gemaakt. Halskettingen die de Akuntsu vroeger van schelpen maakten, maken ze tegenwoordig van felgekleurd plastic. Dit plastic komt van de pesticidenverpakkingen die door de veeboeren als afval worden achtergelaten. Bij ceremoniële gelegenheden beschilderen de Akuntsu zichzelf met urucum (verf van de zaden van de anattoboom).
Konibu, de oudste van de twee Akuntsu mannen, is een medicijnman. Hij inhaleert de rook van eigengemaakte sigaretten om te kunnen communiceren met de geestenwereld. Daarna blaast hij de rook uit over zijn familie en over bezoekers om boze geesten te verdrijven en hun lichamen te zuiveren.
In 1995 maakten veldwerkers van FUNAI, het Braziliaanse overheidsdepartement voor Inheemse Zaken, contact met een vijftal Kanoê-indianen die in hetzelfde gebied als de Akuntsu wonen. De Kanoê vertelden dat zij de moestuinen en huizen van een andere ongecontacteerde groep hadden gezien, die zij de Akuntsu noemden.
Pas enkele maanden later werd er contact gelegd met de Akuntsu. Verontrustend was dat zij slechts met zijn zevenen waren. Inmiddels is een van de dochters van medicijnman Konibu overleden; zij kwam in 2000 om het leven toen er tijdens een storm een boom op het huis van de familie viel. De oudste Akuntsu, Ururu, is in oktober 2009 gestorven.
Sinds de jaren 70 is FUNAI bekend met het bestaan van geïsoleerd levende inheemse stammen in Rondônia. Door de aanleg van een hoofdweg door de deelstaat, de BR-364, stroomden veeboeren, houthakkers, grondspeculanten en kolonisten het gebied binnen.
Doordat steeds meer van het woud werd vernietigd, sloegen de ongecontacteerde Indianen op de vlucht voor de bulldozers en zochten ze hun toevlucht in de slinkende resten van het bos. Hoeveel er omgekomen zijn door ziekte en geweld zullen we nooit weten.
Ondanks dat de veeboeren volhielden dat er geen ongecontacteerde Indianen meer waren, ging in de jaren 80 een aantal vastberaden veldwerkers van FUNAI op zoek naar geïsoleerd levende stammen, wetende dat ze ernstig werden bedreigd.
Op meerdere plekken werden sporen van Indianen ontdekt. Zo werd in 1984 met pijl en boog op een tractor van houthakkers geschoten. Ook werden er verlaten gemeenschapshuizen en moestuinen aangetroffen, wat bewees dat de Indianen overhaast waren vertrokken.
In de regio Corumbiara deden geruchten de ronde dat ongecontacteerde Indianen waren afgeslacht door gewapende mannen, ingehuurd door veeboeren.
FUNAI ontdekte in 1985 een bewijs van de slachtpartij: een complete maloca (traditioneel huis van de Amazone-indianen) was platgewalst met een bulldozer en door veeboeren met aarde bedekt, in een poging de aanval te verdoezelen.
Er werden potscherven en pijlen opgegraven, waarvan Konibu bevestigde dat ze van de Akuntsu waren. Hij noemde de namen op van veel familieleden die waren vermoord.
Pupak, de andere Akuntsu man, werd in de rug geschoten toen hij op de vlucht sloeg voor gewapende mannen, en draagt daar nog altijd de littekens van. Hoe traumatisch hun ervaring was, blijkt uit de angst die de Indianen hebben voor zowel de veeboeren die nog altijd een deel van hun land bezetten, als voor het lawaai van de kettingzagen dat vlakbij te horen is.
Ook al wordt officieel erkend dat het land van hen is en ook al blijft FUNAI permanent toezicht houden in de regio, de Akuntsu blijven omringd door vijandige veeboeren.
Sommigen hebben nog altijd vee, werknemers en gebouwen in het gebied dat toebehoort aan de Akuntsu. FUNAI probeert de veeboeren te verdrijven en de zaak ligt nu bij de rechter.
Na de genocide van hun volk en het brute geweld van de gewapende handlangers van de veeboeren te hebben meegemaakt, wantrouwen en vrezen de Akuntsu vrijwel alle vreemdelingen, vooral de werknemers van de veeboeren.
Taalkundigen werken momenteel met de Akuntsu samen om hun taal vast te leggen en te leren begrijpen. De hoop bestaat dat de Akuntsu op een dag hun volledige verhaal aan de wereld kunnen vertellen.
Door hun geïsoleerde bestaan zijn de Akuntsu zeer vatbaar voor ziektes die door vreemdelingen worden overgebracht. Tenzij zij besluiten om te trouwen met iemand van een andere stam – wat onwaarschijnlijk lijkt – zal deze kleine stam voor altijd verdwijnen en zal de genocide op de Akuntsu compleet zijn.
De Akuntsu leven in voortdurende angst voor de bedreigingen die van alle kanten komen. Help hen het recht op hun land vast te leggen.
Een brief sturen naar politici en overheden is een doeltreffende manier om uw zorg uit te spreken en veranderingen te bewerkstelligen.
Steun Survival International en draag rechtstreeks bij aan het verbeteren van de levensomstandigheden en de toekomstperspectieven van inheemse stammen.