De Zo'é

De Zo’é, herkenbaar aan hun lange houten lippluggen, kwamen in 1982 via zendelingen voor het eerst in contact met de buitenwereld.

Hoewel de stam hierna door ziekten werd uitgedund, neemt de bevolking op dit moment weer toe.

Kom in actie ↓   Doneer →

Een vredig bestaan

De Zo’é-stam is een kleine, geïsoleerd levende stam die diep in het Amazonewoud in het noorden van Brazilië leeft. Pas in 1987 kwamen de Zo’é definitief in contact met de buitenwereld toen zendelingen van de New Tribes Mission een basiskamp opzetten op hun land.

Het land van de Zo’é is officieel erkend door de Braziliaanse overheid. Deze reguleert de toegang tot het gebied om de overdracht te voorkomen van ziekten zoals griep en mazelen, die voor de Zo’é levensbedreigend kunnen zijn.

De Zo’é leven in grote, rechthoekige huizen die met riet bedekt en aan alle kanten open zijn. In ieder huis wonen een aantal families bij elkaar. Ze slapen in hangmatten die aan de dakspanten zijn bevestigd en koken op open vuur langs de zijkanten van het huis.

Zo'é-vrouwen dragen hun baby’s meestal in draagriemen die zij weven van palmvezels of katoen.
Zo'é-vrouwen dragen hun baby’s meestal in draagriemen die zij weven van palmvezels of katoen.
© Fiona Watson/Survival

Paranoten zijn zeer belangrijk voor de Zo’é en zij vestigen hun gemeenschappen dan ook vaak op plaatsen waar veel paranootbomen groeien. De noot vormt een belangrijk deel van het dieet van de Zo’é. Van de schaal van de paranoot worden armbanden gemaakt en van de vezels van de noot worden hangmatten geweven.

Zo’é-gemeenschappen worden omringd door grote moestuinen. Hier verbouwen de Zo’é maniok en andere knolgewassen, bananen, paprika’s en veel andere soorten groente en fruit. Daarnaast verbouwen ze er katoen, dat wordt gebruikt voor de vervaardiging van lichaamsversierselen en hangmatten, het bevestigen van pijlpunten en het weven van draagriemen voor baby’s.

Een Zo'é-gezin in een hangmat gemaakt van vezels van de paranoot.

Een Zo'é-gezin in een hangmat gemaakt van vezels van de paranoot.
© Fiona Watson/Survival

De Zo’é leiden een polygaam bestaan. Zowel mannen als vrouwen mogen meer dan één partner hebben. Het is vrij gangbaar dat echtgenoten van een vrouw op hun beurt trouwen met een van haar dochters die zij met een andere man heeft gekregen.

In de Zo’é-gemeenschap is iedereen gelijk. Er zijn geen leiders, hoewel de mening van bijzonder welbespraakte mannen, yü genoemd, zwaarder weegt dan die van anderen bij vraagstukken over huwelijken, het opnieuw in gebruik nemen van oude moestuinen of het stichten van nieuwe gemeenschappen.

Zo’é-mannen zijn uitstekende jagers. Ze jagen meestal alleen, maar op bepaalde momenten van het jaar (tijdens ‘de tijd van de dikke aap’ en ‘de tijd van de koningsgier’) houden ze een gezamenlijke jacht. Wanneer er gejaagd wordt op grote kuddes navelzwijnen jagen de Zo’é-mannen in een groep, waarbij ze de dieren wild achtervolgen en met pijlen op ze schieten. De vrouwen vangen ondertussen de verschrikte jongen, die zij mee naar het dorp nemen en als huisdier (door hen raimbé genoemd) houden. De Zo’é vissen met harpoenen en timbó, een vissengif dat wordt gemaakt van geperste klimplanten.

Lichaamsdecoratie en rituelen

Van jongs af aan dragen alle Zo’é een m’berpót, een lange houten plug die door de onderlip gepiercet wordt.

De onderlip van Zoé-kinderen worden gepiercet als zij rond de zeven tot negen jaar oud zijn. De lippluggen worden vervangen door steeds grotere pluggen naarmate de kinderen ouder worden.

De onderlip van Zoé-kinderen worden gepiercet als zij rond de zeven tot negen jaar oud zijn. De lippluggen worden vervangen door steeds grotere pluggen naarmate de kinderen ouder worden.
© Fiona Watson/Survival

Volgens de Zo’é heeft een voorouder genaamd Sihié’abyr hen geleerd hoe zij de lipplug moeten gebruiken. Het piercen van de onderlip is een van de belangrijkste ceremonies van de Zo’é en voor kinderen is het een overgangsrite naar volwassenheid.

Voor het piercen wordt een scherp stuk bot van het been van een slingeraap gebruikt, waarna er een kleine m’berpót door de lip wordt gestoken. De ceremonie vindt meestal plaats wanneer meisjes ongeveer zeven jaar oud zijn en jongens negen jaar. De lippluggen worden vervangen door steeds grotere pluggen naarmate de kinderen ouder worden.

De Zo’é-vrouwen dragen fijn afgewerkte hoofdtooien die zij maken van de zachte, witte borstveren van de koningsgier. Hun lichaam beschilderen ze met urucum, een heldere rode pasta die wordt gemaakt van geplette anattozaden.

Zoals veel inheemse stammen in Zuid-Amerika, gebruiken de Zo’é annatto pasta voor het beschilderen van hun lichaam.

Zoals veel inheemse stammen in Zuid-Amerika, gebruiken de Zo’é annatto pasta voor het beschilderen van hun lichaam.
© Fiona Watson/Survival

Veel gebeurtenissen in het leven van de Zo’é gaan gepaard met rituelen, zoals bij geboortes en de dood, de eerste menstruatie van meisjes en de eerste tapir die een jonge man doodt. Seh’py is waarschijnlijk de grootste gezamenlijke ceremonie, die ter gelegenheid van iedere belangrijke gebeurtenis kan worden gehouden.

Seh’py is genoemd naar de natuurlijk gefermenteerde drank die tijdens het ritueel wordt geschonken en die kan worden gemaakt van ieder knolgewas dat op dat moment voorhanden is.

De mannen dragen lange rokken, genaamd sy’pi, die zijn gemaakt van vezels. Tijdens de ceremonie, die de gehele nacht duurt, wordt er gezongen en voeren mannen en vrouwen gezamenlijk een reeks unieke dansen uit. Bij het aanbreken van de dag drinken de mannen de laatste resten van de drank en legen vervolgens gezamenlijk hun maag door te braken.

Onzekere toekomst

Een groep Zo'é bij een van de rivieren in hun leefgebied in Brazilië.
Een groep Zo'é bij een van de rivieren in hun leefgebied in Brazilië.
© Fiona Watson/Survival

Zoals het geval is bij veel van de inheemse volken die pas sinds kort in contact zijn gekomen met de samenleving van hun land, is het leven van de Zo’é aan het veranderen. FUNAI, het Braziliaanse overheidsdepartement voor inheemse zaken, wordt door sommigen ervan beschuldigd de Zo’é in een ‘menselijke dierentuin’ op te sluiten, aangezien maar weinig mensen worden toegelaten tot hun gebied en het de Zo’é wordt afgeraden om hun leefgebied te verlaten. Toch heeft deze maatregel zeker levens gered; de Zo’é zijn over het algemeen gezond, de omvang van de bevolking is gestabiliseerd en neemt nu weer toe.

De Zo’é zijn echter nieuwsgierig naar hun buren en naar de wereld buiten hun leefgebied en hebben te kennen gegeven dat zij graag meer over de buitenwereld willen weten.


In februari 2011 is er voor het eerst een groep Zo’é naar de Braziliaanse hoofdstad Brasilia afgereisd om een aantal eisen bij de overheid in te dienen, waaronder een onderwijsproject, een medische opleiding voor de Zo’é en een beschermingsprogramma voor hun leefgebied, waaraan de Zo’é zelf actief kunnen meewerken.

Vroeger, toen de blanken hier nog niet waren, hadden de Zo’é geen ziekten. In het verleden waren er veel kinderen en vrouwen. Nu zijn er niet veel meer.
“Jirusihú, een Zo’é-man”

De Zo’é staan nu voor de uitdaging om zich op de hoogte te stellen van hun rechten en de Braziliaanse maatschappij te leren begrijpen zodat ze op gelijke voet met de Brazilianen om kunnen gaan, zonder evenwel te bezwijken aan ziekten zoals de griep, waarvoor zij nog altijd zeer kwetsbaar zijn.

De druk op het gebied van de Zo’é en de aanwezige natuurlijke rijkdommen neemt toe: notenverzamelaars, gouddelvers en zendelingen dringen regelmatig hun land binnen en omliggende soja- en veeteeltgebieden breiden zich steeds verder uit. Daarnaast hebben ook een aantal grote mijnbouwbedrijven hun oog laten vallen op locaties rondom het land van de Zo’é.

Eerste contact

Eerste contact

De Zo’é hebben altijd vredig geleefd in de dichte wouden tussen de rivieren Erepecuru en Cuminapanema.

In de jaren 40 en 50 werd de rust in het woud voor het eerst verstoord door pelsjagers die op zoek waren naar jaguars en andere in het wild levende katten. Daarna waagden goudzoekers en paranootverzamelaars zich in het gebied.

De Zo'é leven diep in het Amazonewoud, waar ze huizen bouwen omringd door moestuinen. Hier verbouwen ze veel groenten- en fruitsoorten, zoals maniok en bananen.

De Zo'é leven diep in het Amazonewoud, waar ze huizen bouwen omringd door moestuinen. Hier verbouwen ze veel groenten- en fruitsoorten, zoals maniok en bananen.
© Fiona Watson/Survival

De Zo’é werden niet gestoord door dit zeer sporadische contact dat zij hadden met de buitenwereld, totdat in 1975 een verkenningsvliegtuig op zoek naar mineralen over het woud vloog en een van de Zo’é gemeenschappen ontdekte. De onderzoekers keerden terug en wierpen goederen voor de Zo’é uit het vliegtuig. Later berichtten ze dat de Zo’é deze hadden vertrapt en begraven.

Langzaam maar zeker werd het bestaan van de Zo’é bekend onder de zendelingen in Brazilië. Tussen 1982 en 1985 maakten zendelingen van de New Tribes Mission diverse expedities naar het leefgebied van de Zo’é, waarbij zij vluchtig contact hadden met een kleine groep Zo’é. Ook zij vlogen over de Zo’é gemeenschappen om ‘geschenken’ te droppen. In 1987 vestigde de New Tribes Mission een basiskamp op de grens van het leefgebied van de Zo’é en legden er een landingsbaan aan.

Volgens de zendelingen vond het eerste definitieve contact met de Zo’é plaats op 5 november 1987. Sinds enkele dagen daarvoor hadden groepen Zo’é de zendelingen op hun basis in het geheim geobserveerd. Jaren later vertelde een Zo’é-jager dat ze zich kostelijk hadden vermaakt met de jachttechnieken van de zendelingen. Hij herinnerde zich dat de zendelingen tijdens het jagen niet snel genoeg waren en dat een van hen een navelzwijn op zijn rug droeg die ‘met zijn kop heen en weer bungelde zodat zijn kaken een klepperend geluid maakten’.

Na catastrofale epidemieën in de jaren 80 is het aantal Zo’é nu gestabiliseerd
Na catastrofale epidemieën in de jaren 80 is het aantal Zo’é nu gestabiliseerd
© Fiona Watson/Survival

Uiteindelijk besloot een aantal Zo’é om naar het basiskamp te gaan. Daar ruilden ze gebroken speerpunten voor goederen van de zendelingen. Gelokt door de nuttige voorwerpen zoals kapmessen, messen, pannen en visgerei trokken steeds meer Zo’é richting het basiskamp en bouwden zij er hun huizen in de buurt.

De Zo’é werden al gauw getroffen door een tragedie. Via de zendelingen werden ze blootgesteld aan ziekten waartegen ze geen weerstand hadden. Nu er in de buurt van het basiskamp zo veel Zo’é op één plek leefden, verspreidden ziekten als de griep en malaria zich razend snel. Toen de situatie verder verslechterde namen de zendelingen contact op met het Braziliaanse overheidsdepartement voor inheemse zaken, FUNAI, die medische hulpteams naar het gebied stuurde. De epidemieën waren catastrofaal voor de Zo’é; tussen 1982 en 1988 stierf ongeveer een kwart van de oorspronkelijke bevolking.

Naar aanleiding van deze catastrofe stuurde FUNAI de zendelingen in 1991 weg uit het gebied en probeerde het departement de Zo’é naar hun oude dorpen terug te laten keren.

Inmiddels heeft FUNAI een modern basiskamp laten bouwen. Het kamp heeft een medische post zodat Zo’é die medische hulp nodig hebben niet naar de dichtstbijzijnde stad hoeven worden gebracht. Alle mensen die de Zo’é bezoeken worden grondig medisch onderzocht voordat zij het gebied mogen betreden. Hierdoor is het aantal Zo’é gestabiliseerd en neemt de bevolking geleidelijk toe. Op dit moment bestaat de Zo’é-gemeenschap uit ongeveer 250 mensen.

Toenemende bedreiging

Toenemende bedreiging

De Zo’é zijn nog steeds een bedreigde inheemse volksstam. De gemeenschap is klein en de mensen zijn bijzonder vatbaar voor veel ziekten waartegen zij nog geen weerstand hebben opgebouwd.

Tot nu toe hebben de Zo’é relatief ongestoord in hun gebied kunnen leven. In 2009 erkende de Braziliaanse overheid formeel de grenzen van het land van de Zo’é, wat hun exclusieve gebruik van het gebied moest waarborgen.

De druk op het land van de Zo’é neemt echter toe door binnendringende jagers, mijnbouwers en honderden paranotenverzamelaars. Ook zendelingen proberen het gebied weer in te komen. Voor de geïsoleerd levende Zo’é is ieder contact met mensen van buiten hun leefgebied echter een aanzienlijke bedreiging voor hun gezondheid.

De sojavelden en veeteeltgebieden die ten zuiden van het leefgebied van de Zo’é liggen, breiden zich steeds meer naar het noorden uit. Gevreesd wordt dat het moeilijk zal zijn om de landbouwers te weren uit het uitgestrekte leefgebied van de Zo’é zonder vergaande en effectieve maatregelen om het land te beschermen.

Op veel plaatsen in het Amazonegebied hebben veeteelt, houtkap en sojaplantages geleid tot ernstige ontbossing.

Op veel plaatsen in het Amazonegebied hebben veeteelt, houtkap en sojaplantages geleid tot ernstige ontbossing.

© Rodrigo Baleia/Survival

De Zo’é zijn zelf ook nieuwsgierig en willen graag de wereld buiten hun leefgebied leren kennen en begrijpen. In februari 2011 reisde er voor het eerst een groep Zo’é naar de Braziliaanse hoofdstad Brasilia af voor besprekingen met verschillende overheidsvertegenwoordigers.

Tijdens de bijeenkomsten hebben de Zo’é hun zorgen geuit over hun woud en hebben zij te kennen gegeven dat zij graag actief willen meewerken aan een beschermingsprogramma voor hun land. Daarnaast dienden zij een verzoek in voor een opleidingsprogramma dat is aangepast aan hun behoeften, en een medische opleiding voor Zo’é.

We staan voor de uitdaging om de Zo’é te helpen met het begrijpen van de wereld buiten hun leefgebied, zodat zij op voet van gelijkheid met de buitenwereld om kunnen gaan zonder dat hun gezondheid of hun leefgebied in gevaar wordt gebracht.

Kom in actie. Help de Zo’é

Ook jij kan rechtstreeks bijdragen aan het verbeteren van de levensomstandigheden en de toekomstperspectieven van inheemse stammen.